WUR's Material Flow Management programma - Achtergrondverhaal


Samenvatting

Longread over WUR's Material Flow Management programma voor duurzame bedrijfsvoering.

null

Hoe WUR dankzij data de bedrijfsvoering verduurzaamt

18 procent. Zoveel van het restafval van Wageningen University & Research bestaat uit tissues. Papieren handdoekjes die dagelijks in tientallen toiletruimtes worden gebruikt en weggegooid. Het klinkt als een detail, maar dit soort inzichten, mogelijk gemaakt door het Material Flow Management (MFM)-datamodel, veranderen hoe WUR naar duurzaamheid kijkt. Dankzij deze data worden grote ambities vertaald in concrete keuzes en circulaire kansen. In dit achtergrondverhaal lees je meer over het MFM-programma en het daarbij ontwikkelde datamodel. De geschatte leestijd is ongeveer zes minuten.

‘We zijn de puzzel langzaam maar zeker aan het leggen’, zegt Thijs van Rossum, Hoofd Veiligheid en Milieu en manager duurzame bedrijfsvoering bij WUR. Hij doelt erop dat WUR al jarenlang succesvol werkt aan duurzaamheid, maar eigenlijk nu pas echt gaat zien wat de impact van al die activiteiten is.

Het begon met een simpele vaststelling. WUR had weliswaar grote ambities, klimaatneutraal worden, circulair opereren, biodiversiteit beschermen, maar miste het complete plaatje. ‘We rapporteerden vooral over ons gas- en elektriciteitsverbruik’, vertelt Erna Maters, beleidsmedewerker duurzaamheid. ‘Maar al die materialen die we inkopen? Daar hadden we nauwelijks zicht op, terwijl ze verreweg het grootste deel van onze CO2-impact vertegenwoordigen.’

Van bonnetje naar milieu-impact

Die blinde vlek is inmiddels vakkundig weggewerkt. Sinds 2022 werkt WUR samen met ingenieursbureau Witteveen+Bos en afvalverwerkingsbedrijf PreZero aan een datamodel dat letterlijk álles in kaart brengt wat de campus binnenkomt en verlaat. Elke aankoop binnen WUR loopt via ProQme, het digitale inkoopsysteem. Een onderzoeker bestelt reageerbuisjes, een docent vraagt nieuwe whiteboardmarkers aan, medewerkers kopen vergaderlunches in. Dit levert allemaal bonnetjes met prijzen op. Maar hoeveel kilo materiaal vertegenwoordigen al die aankopen? Hoeveel CO2 komt vrij bij de productie? Is het plastic gerecycled of niet?

Die vragen bleven lang onbeantwoord. Tot nu, zegt Rob Dijcker, projectleider bij Witteveen+Bos. ‘Wij vertalen al die inkoopdata naar materiaalstromen. Elke aankoop wordt gekoppeld aan een database met referentieproducten. Zo kunnen we euro’s omrekenen naar kilo’s, en kilo’s naar milieu-impact.’

Het resultaat is verbluffend gedetailleerd. Anne van Casteren, contractmanager van het MFM partnerschap, somt op: ‘We weten nu de impact van onder andere onze labmaterialen, diervoeding, chemicaliën, computers en het meubilair.’ Bijvoorbeeld bij laboratoria gaat het om tienduizenden verschillende producten per jaar. ‘We hebben overigens nog niet voor elk product een exacte referentie’, erkent Dijcker. ‘Daar zit wat onzekerheid. Maar elk jaar bepalen we waar die onzekerheid het grootst is, en daar verdiepen we ons dan in. Het is dus echt een groeimodel.’

Wat eruit gaat, telt net zo hard

De andere helft van het verhaal van het MFM-datamodel speelt zich af bij de afvalcontainers. PreZero registreert op zijn beurt namelijk alles wat de organisatie verlaat: plastic, bedrijfsafval, specifiek ziekenhuisafval, papier en organisch afval. ‘Dat gebeurt op containerniveau,’ vertelt Dijcker. ‘We kunnen daardoor per gebouw, zelfs per vakgroep, zien wat daar wordt opgehaald.’

Cruciaal is wat er daarna gebeurt. Wordt het afval verbrand? Gerecycled? Of krijgen materialen een tweede leven? ‘We willen omhoog op de R-ladder’, legt Maters uit. ‘Refuse, reduce, reuse, dat zijn de tredes waar we naartoe willen. Recycling is beter dan verbranden, maar hergebruik is nog beter.’

Door de beide datastromen, alles wat WUR binnenkomt en alles wat WUR verlaat, te combineren, ontstaat een compleet beeld. Van grondstofwinning tot het einde van de levensduur: alles wordt gevolgd.

De verrassende kracht van transparantie

Het model doet meer dan alleen meten. Het maakt ook beleidskeuzes zichtbaar. Van Rossum: ‘In onze wetenschappelijke omgeving is er een enorme behoefte om te begrijpen wat we doen en waarom we welke keuzes maken. Een goed datamodel helpt daarbij. Maar het versterkt ook het belang om dit alles goed onderbouwd te doen.’

Die transparantie werkt twee kanten op. Eerst gebruikte het MFM-team het model vooral zelf om verbeterkansen te identificeren. Nu krijgen steeds meer mensen binnen WUR hun eigen dashboard. Locatiemanagers zien de prestaties van hun gebouw; labhoofden zien welk deel van de totale impact uit hun eigen lab komt. ‘Dat verandert het gesprek volledig’, zegt Dijcker. ‘We waren eerst aan het pushen: wij zien iets in het model; zouden jullie dit niet gaan doen? Nu zie ik ook het omgekeerde gebeuren. Mensen komen naar ons met duurzaamheidsideeën en -vragen: kunnen jullie laten zien wat de impact zou zijn?’

Die omslag, van top-down naar bottom-up, is volgens Van Rossum essentieel. ‘Met ons vieren kunnen wij niet gaan bedenken wat WUR moet doen. Dat moet echt van onderaf komen. Als een klein team besluit om elke dinsdag en woensdag op de fiets naar de campus te komen in plaats van met de auto, zou je dat nu nog niet zien in de data, maar straks wel. En dat zou ook mooi zijn, want dan wordt ieders eigen inspanning zichtbaar.’

Van tissues tot turbines: concrete verandering

Terug naar die 18 procent tissues. Na een grondige analyse van elf verschillende levenscyclusanalyses in een van de fieldlabs adviseerde het team om over te stappen op elektrische handendrogers. ‘Dat klinkt niet spectaculair’, zegt Van Casteren. ‘Maar het gaat wel om een flinke investering en een substantiële reductie van zowel inkoop als afval.’ De directeuren bedrijfsvoering gaven groen licht. Na een succesvolle pilot volgt nu de aanbesteding voor de hele campus.

Een ander fieldlab richt zich op labmaterialen. ‘Dat is een hele grote inkoopcategorie’, vertelt Van Casteren. ‘We stimuleren hergebruik van onderwijslabs naar onderzoekslabs, en moedigen labs aan om centrale voorraden te houden in plaats van allemaal zelf in te kopen.’ Het effect? ‘Je ziet dat er vaker kruisbestuiving plaatsvindt tussen eenheden en labs. Ze gaan veel meer met elkaar delen. Dat vind ik ook heel mooi, die samenwerking.’

Maar eerlijk is eerlijk: niet elk fieldlab leidt tot implementatie. Het team verkent ook oplossingen die uiteindelijk niet worden doorgezet. Soms omdat de business case toch niet rondkomt, soms omdat er andere prioriteiten zijn. Maters: ‘Het laat zien dat we snel kunnen doorrekenen wat een bepaalde kans oplevert, maar dat de werkelijkheid soms complex is.’

Meer dan alleen materiaal: de CO2-link

Dit hele MFM-datamodel vormt de basis voor iets nog groters: een volledig CO2-dashboard. Van Rossum legt de geschiedenis uit: ‘We maken al sinds 2011 CO2-footprints, maar dat ging vooral om scope 1 en 2. Om ons direkte gas- en elektriciteitsverbruik. Scope 3, alle indirecte emissies door wat we inkopen, was veel lastiger.’ De doorbraak kwam door beide werelden te verbinden. ‘Witteveen+Bos had al dat MFM-datamodel gebouwd. Daar zaten alle materialen in. Toen hebben we gezegd: laten we daar de CO2-berekening aan koppelen, dan hebben we één totaalbeeld.’

Dijcker benadrukt de relevantie: ‘Scope 3, dus alles wat wordt ingekocht, is verreweg het grootste deel van de klimaatimpact van WUR. Daarom is die focus op circulariteit en material flow zo belangrijk. Daar zit de grootste hefboom.’

Het resultaat is nu een integrale footprint waarin alles meetelt: gebouwen, mobiliteit, inkoop en afval. ‘We hebben dat een half jaar geleden voor het eerst gepresenteerd in ons jaarverslag’, zegt Van Rossum. ‘We gebruiken nu dezelfde methodiek voor material flow én CO2. Dat maakt het veel robuuster.’

Van Rossum omschrijft de status van het model als ‘jongvolwassen, een adolescent.’ De data zijn betrouwbaar, de verificatieprocessen stevig, maar er is nog ontwikkeling mogelijk. ‘De robuustheid betekent niet dat alles af is. We kijken bijvoorbeeld naar uitbreiding met biodiversiteitsimpact. Het dashboard wordt ook steeds interactiever, zodat meer mensen zelf analyses kunnen doen. En elk jaar worden de omrekenfactoren aangescherpt daar waar nieuwe kennis beschikbaar komt.’

Van data naar cultuurverandering

De grootste winst zit misschien niet in de cijfers zelf, maar in wat ze teweegbrengen. Van Casteren: ‘Je ziet dat we vanuit MFM steeds meer de organisatie ingaan. Die samenwerking tussen vakgroepen, dat delen van materialen, die bewustwording, dat is misschien wel net zo waardevol als de reductiecijfers.’

Dijcker vat het samen: ‘Je moet eerst je beeld compleet hebben en inzicht krijgen in wat ieders impact is. Dat hebben we bereikt. Nu kunnen we aan elk onderdeel in de organisatie laten zien wat zijn aandeel is in de totale impact en welk handelingsperspectief de afdelingen daarmee hebben. Daaruit moeten nu maatregelen en resultaten komen. Het model is dus geen doel op zich, maar een instrument om inzicht te krijgen in alle in- en uitgaande materiaalstromen. Om uiteindelijk circulaire kansen te identificeren en benutten.’

Drie grote doelen, één instrument

De ambities van WUR zijn breed: klimaatneutraal worden volgens de Parijsafspraken, volledig circulair opereren in 2050 en biodiversiteitsverlies tegengaan. Het MFM-datamodel en het CO2-dashboard zijn instrumenten die alle drie de doelen bedienen. Het is ambitieus en het team is zich ook bewust van de uitdagingen. Maar de richting is duidelijk. Van Casteren sluit dan ook optimistisch af: ‘We zijn trots op wat we hebben. Het datamodel is er, het beleid staat, we doen fieldlabs waar mooie dingen uitkomen. Nu is het tijd om echt te gaan oogsten.’

En dat oogsten begint soms betrekkelijk klein: bij papieren handdoekjes in een toiletruimte. Maar het eindigt bij fundamentele vragen over hoe WUR zich verhoudt tot de wereld om haar heen. Het verschil is dat WUR de antwoorden op die vragen nu kan onderbouwen met data. WUR realiseert zich dat ze daarmee iets bijzonders heeft opgebouwd. ‘Er zijn vrij weinig organisaties in Nederland die dit op dit detailniveau hebben’, stelt Dijcker. ‘Dat een inkoopsysteem zo gedetailleerd wordt vertaald naar materialen, milieu-impact en afvalstromen: wij doen dit werk veel, maar ik ken geen organisatie in Nederland die dit zo heeft.’

Het MFM-datamodel is ontwikkeld in samenwerking met Witteveen+Bos en PreZero binnen een tienjarig partnerschap dat in 2022 startte. Voor het MFM-model is onderzoek van WUR als vertrekpunt genomen. Het model is vervolgens continu verbeterd met nieuwe inzichten uit fieldlabs en praktijkprojecten. Het CO2-model is gebaseerd op het Greenhouse Gas Protocol en internationale databases voor emissiefactoren.

Wageningen, april 2026

Vragen?

Wil je meer weten over het Material Flow Management programma? Neem contact op met de programma-manager Anne van Casteren.